Kan de buitenschoolse wereld het leersucces van kinderen beïnvloeden?

  • 0x bekeken
  • 0 reacties

Vanaf vier jaar gaan kinderen in Nederland naar de basisschool. Acht jaar later gaan ze naar de middelbare school. Deze wordt dan –afhankelijk van de leerweg – vier, vijf of zes jaar bezocht. Volgens de rijksoverheid heeft een kind in het basisonderwijs recht op totaal 7.520 normuren onderwijs. In het voortgezet onderwijs ligt het aantal normuren tussen 3.700 en 5.700. Een vwo-leerling zal dus uiteindelijk rond 13.220 uur onderwijstijd (dus zonder pauzes en tussenuren) op school hebben gezeten. Dat lijkt wel heel veel. En het is dan ook meer dan begrijpelijk dat de school een belangrijk een groot aandeel heeft aan de ontwikkeling van een kind. 

In het algemeen kijken cognitiewetenschappers en leerpsychologen naar twee aspecten als het gaat om de ontwikkeling en leerprocessen van kinderen: aanleg (wat in de genen zit) en omgeving. Wat betreft de omgeving spelen verschillende factoren een rol bij de ontwikkeling van kinderen: personen met wie kinderen direct contact hebben (bijvoorbeeld familie en vrienden), instituties waar kinderen regelmatig terecht komen (zoals kinderopvang en school, maar ook religieuze instellingen of sportclubs en andere verenigingen), maatschappelijke en sociale groepen waar kinderen bij horen (bijvoorbeeld etnische groepen zoals Surinamers of landbevolking versus stadsbewoners). 

Een voorbeeld hoe de aanleg invloed heeft op de ontwikkeling en het leersucces van een kind is het geslacht. Zo blijkt uit statistieken dat meisjes op school vaak betere cijfers halen dan jongens. Onderzoekers in Duitsland en in Engeland hebben zelfs uitgevonden dat dit al in de jaren zeventig en ook al rond 100 jaar geleden zo was. En inderdaad kan hier een link worden gelegd met biologische gegevens. Het is bijvoorbeeld zo dat over het algemeen meer jongens dan meisjes een verstandelijke beperking hebben. Een tweede is dat meisjes sneller zijn in hun algemene ontwikkeling een daardoor ook voorlopen in de ontwikkeling van de hersenen. 

Maar zo simpel is het dan ook weer niet dat verschillen in de ontwikkeling van kinderen alleen maar te verwijten zijn aan deze biologische verschillen. Want volgens de onderzoekers is een veel belangrijkere punt dat meisjes de school positiever ervaren dan jongens en meer gemotiveerd zijn om goed te presteren. Jongens daarentegen hebben vaak minder ambities om hun best te doen op school. In hun beleving is leersucces een gegeven, maar niets waarvoor je extra moeite doet. En leren voor een goed cijfer past over het algemeen niet bij hun ideeën van mannelijkheid. Doorgaans zijn deze ideeën ingegeven door de omgeving, de media en de hele cultuur waarin jongens opgroeien. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er niet ook uitzonderingen zijn op deze algemene constateringen. 

Een ander voorbeeld waarbij aanleg en invloed vanuit de omgeving elkaar overlappen, is intelligentie. Hoe intelligent een kind is, heeft zeker te maken met de genen. Maar ook de ontwikkeling tijdens de zwangerschap – en ook het al dan niet gebruik van drugs of alcohol door de moeder – hebben hun aandeel. En na de geboorte zijn er nog veel meer factoren die de intelligentie kunnen beïnvloeden. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die in slechte sociale omstandigheden opgroeien (met name in armoede) vaak een kleinere woordenschat en een lagere IQ hebben. Sommige van deze kinderen kunnen echter deze sociale hindernissen overwinnen. Meestal hebben ze dan een hecht band met tenminste een van hun ouders en bovendien een heel goede relatie met nog een andere volwassene, zoals een grootouder of een leraar. Wetenschappers hebben ook uitgevonden dat kinderen zelf hun IQ kunnen verbeteren mits zij op de juiste manier gestimuleerd worden. Als zij erover geïnformeerd worden dat leren de hersenen positief beïnvloedt en hoe dat teweeg gebracht kan worden, boeken zij vaak meer vooruitgang bij leerprocessen en halen vervolgens hogere scores bij intelligentietoetsen. Op deze manier heeft en de omgeving en wat kinderen uiteindelijk zelf doen veel invloed op hun ontwikkeling en leersucces. 

Een belangrijk onderdeel van de omgeving is zeker de school, juist ook omdat kinderen daar zoveel tijd doorbrengen. Maar belangrijker zijn ouders en daarnaast de buitenschoolse wereld. Wat kinderen in hun vrije tijd doen, of zij actief bezig zijn met een hobby of eerder thuis zitten of elders rondhangen zonder iets te doen, heeft wel degelijk invloed op hun ontwikkeling. Kinderen die actief zijn in een sportvereniging of andere buitenschoolse activiteiten uitoefenen (bijv. muziek maken, dansen, schaken, paardrijden, …) zullen met een hogere waarschijnlijkheid met goede cijfers de school verlaten of zelfs een vwodiploma kunnen halen dan kinderen die aan niet aan dit soort activiteiten doen. Belangrijk is wel dat kinderen vanuit zichzelf interesse hebben in buitenschoolse activiteiten. 

Al vroeg kan de omgeving invloed uitoefenen op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Vaak met een duidelijke impact op het latere leersucces. Een voorbeeld geeft een studie waarin onderzoekers hebben aangetoond welke invloed een tv al op heel jonge baby’s heeft. Ook zijn zij veelal niet echt geïnteresseerd in tv kijken, toch worden zij tijdens het spelen door een aanstaande tv-apparaat sterk afgeleid. Daardoor missen kinderen al op heel vroege leeftijd de kans om te leren zich op één bezigheid te concentreren. En ook later heeft de thuissituatie een duidelijk aandeel aan het vermogen van kinderen om zich te concentreren. Een voorbeeld hiervan is de (sociale) competentie zijn gevoelens en gedachtes te kunnen controleren. Dit is belangrijk bij (sociaal) contact met anderen, maar ook om succesvol te kunnen leren. Deze (leer)ontwikkeling wordt bij jonge kinderen onder andere door bepaalde genen gestuurd. Als deze genen niet goed werken, hebben kinderen grotere moeite om deze competentie te ontwikkelen. Echter is door onderzoek uitgewezen dat kinderen die veel liefdevolle aandacht en zorg krijgen door hun ouders de competentie nog wel kunnen ontwikkelen. 

Er zijn nog veel meer voorbeelden van onderzoek dat de belangrijke rol van de buitenschoolse wereld op de ontwikkeling en het leersucces van kinderen uitwijst. Uiteindelijk moeten de buitenschoolse wereld en de school goed op elkaar aansluiten en elkaar niet tegenwerken, willen we het beste voor de kinderen bereiken. En ook dan is het aandeel van ouders niet te onderschatten. En negatief voorbeeld zijn ouders die grote moeite hebben om slechte cijfers van hun kinderen te accepteren. Ieder onderwijsprofessional weet dat deze kinderen goede ondersteuning nodig hebben – hetzij op vakinhoudelijk of op pedagogisch vlak – om hun leerresultaten te verbeteren. Maar helaas zijn er ouders die hierin doorschieten en hun kinderen onder druk zetten. Het probleem daarbij is dat kinderen (die van nature eigenlijk ontzettend goed zijn in leren) onder druk uiteindelijk niet echt de leerstof verwerken, maar vooral leren hoe zij van de drukte afkomen. Kinderen leren (ook dat weet de onderwijsexpert) wat voor hun betekenisvol is – en vooral ook als het goed gaat met hun, als zij goed in hun vel zitten en plezier hebben aan het leren. 

En nog een – heftig – negatief voorbeeld van ouders die door hun drang alleen goede cijfers te kunnen accepteren, het tegendeel bereiken van wat zij willen. Er zijn daadwerkelijk af en toe ouders die de leraar de schuld geven aan een slecht leerresultaat van hun kind. Het is zelfs al eens gebeurd dat ouders met behulp van een advocaat geprobeerd hebben om een slecht cijfer van hun kind door een rechter te laten intrekken. Meestal leiden deze pogingen tot niets want een rechter kan geen schoolcijfers geven. Maar het leidt er wel toe dat de verhouding tussen leerkracht en ouders verstoord wordt. En dat heeft weer invloed op de relatie tussen leerling en leraar. Een goede relatie waarin de leerling vertrouwen heeft in de leraar heeft altijd een positieve werking op het leergedrag en vervolgens de leerresultaten van een kind. En de werking gaat nog verder. Zwitserse onderzoekers hebben vastgesteld dat kinderen die een goed band hebben met leerkrachten ook buiten de school minder agressief gedrag tonen dan kinderen met een slecht band. 

Samenvattend mag dus geconcludeerd worden dat de school een enorm belangrijke factor is voor de ontwikkeling en de leersuccessen van kinderen. Maar als de buitenschoolse wereld er niet gunstig in elkaar zit, kan ook de leerkracht maar weinig bewerken.  

Philipp v. Samson-Himmelstjerna 

0 reacties Ook reageren
Reactie plaatsen